
Cós
2 juni 2019

Tussen Alcobaça en Nazaré ligt het plaatsje Cós. Er zijn twee lezingen voor de herkomst van de naam: de Arabische, van Al-Qos, dat iets van kluizenaarscel betekent, refererend aan de moslims die tijdens de Reconquista de bossen in vluchtten en zich daar schuil hielden; de Griekse, van het Griekse eiland Kos, dat in het Portugees ook Cós heet. Toen het gebied rond Cós veel meer water bevatte en Cós op een schiereiland lag, vonden de Griekse zeevaarders dat het op hun eiland leek en gaven het zo de naam. Welke lezing de juiste is weet niemand.
Maar goed, in Cós bevindt zich het Klooster van de Heilige Maria (Monesteiro da Santa Maria de Cós). Eigenlijk staat alleen de kerk van het klooster er nog en wat ruines van de slaapzalen en de eetzalen. Het is gesticht ergens rond 1250, maar het gebouw is van rond 1650. Als je ernaar toe gaat blijkt de deur dicht te zijn, maar de beheerder heeft een winkeltje aan de overkant, hij komt a snel, beter gezegd, al gauw, aanlopen. Hij opent de deur en vertelt van alles over het klooster. Aan de binnenkant van de kerk is de muur betegeld met wat de mooiste en oudste azulejos van het Iberisch schiereiland moeten zijn. Het is inderdaad overweldigend. Alle tegels zijn anders, met allerlei motieven, uiteraard van religieuze aard. De gids wijst ons op de chinese invloeden, dezelfde die het Delfts Blauw hebben beïnvloed. Het altaar en de afbeeldingen erachter zijn van hout, en alle voorzien van bladgoud. Immens.
De beeltenis van Maria, Josef en Jesus is opvallend, want Jesus is afgebeeld als een driejarige, wat je zelden ziet, meestal als baby of als volwassene.
In de sacristie zijn alweer in blauwe tegels, belangrijke gebeurtenissen in het leven Sint Bernard uitgebeeld, de patroonheilige van de stad Alcobaça. In Alcobaça is trouwens ook een prachtig klooster. Die in Cós is voor de nonnen geweest, en die in Alcobaça voor de monniken. Allebei van de Cisterciënzers.
Reactie